GESCHIEDENIS · H2
Oefentoets: de industrialisatie van Nederland
Boek hoofdstuk 2, paragraaf 1 tot en met 4 en paragraaf 6 (spotprenten), plus het schrift. Totaal 80 punten; 60 of meer is een voldoende.
Zo werkt het
- Deel A: tik een antwoord aan, je ziet meteen of het klopt.
- Deel B en C: schrijf eerst je antwoord (in het vak of op papier). Tik dan op Toon antwoord en geef jezelf eerlijk punten.
- Je score staat onderaan. Je antwoorden blijven bewaard op dit apparaat.
Deel A: meerkeuze
10 vragen, elk 1 punt.
Deel B: open vragen
Leg uit in hele zinnen. Gebruik de begrippen uit het boek. 40 punten.
Deel C: doe-opdrachten
Volgorde, schema en vooral spotprenten. 30 punten.
Let op: foutjes verbeterd
In het schrift en het werkboek stonden een paar antwoorden die niet kloppen. Leer deze goed:
- EEG (1957): 6 landen, niet 7. Nederland, België, Luxemburg, West-Duitsland, Frankrijk, Italië.
- EU: volgens het boek in 1993 (in het schrift staat rond 1990).
- België scheidde zich af in 1830, niet 1836 (blz. 55).
- Blz. 57 vraag 10: werkplaatsen in Nederlands-Indië sloten omdat de Twentse fabrieken daar hun goedkope katoenen stoffen verkochten. In het westen kwam de industrie later omdat de lonen daar hoger waren.
- Blz. 61 vraag 4c en blz. 63 vraag 7d: allebei antwoord C.
- Blz. 67 vraag 2b: antwoord C (er worden minder goederen ingevoerd). Vraag 3 gaat over de Rotterdamse haven als doorvoerhaven naar het Ruhrgebied.
- Blz. 69 vraag 6 en 7: de lonen stegen vanaf 1963 omdat er een tekort aan arbeidskrachten was. Gevolg: welvaart en consumptiemaatschappij. Gastarbeiders deden zwaar, ongeschoold werk (mijnen, scheepsbouw, textiel). Bedrijven hielden ze door contracten onbeperkt te verlengen en het gezin te laten overkomen.
- Blz. 73 vraag 1: de leefomgeving zoals de lucht heet milieu.